Verslag van de lezing door Ingrid Tulp

Van: Sam van der Meij
dinsdag 2 november 2021

Verslag van de lezing door Ingrid Tulp, op 29 oktober 2021 in het Jan Verwey Natuurcentrum.

Onderwerp was de Kleine Jager en aansluitend de Grauwe Franjepoot.
Ingrid begon met de opmerking dat ze het “luchtig” wilde houden; niet teveel wetenschappelijke termen en verhandelingen (“want ik heb gehoord dat jullie daar niet van houden”), maar wel met de nodige kaarten met trekroutes en tabellen met ontwikkelingen in aantallen e.d. Zonder dat zou het niet kunnen natuurlijk. Ze is nu eenmaal onderzoekswetenschapper. Wij zien de Jagers als “rotzakken”; ze komen uitsluitend aan voedsel door het van andere vogels af te troggelen, en dat gaat niet zachtzinnig. Maar zo zit de natuur nou eenmaal in elkaar, en ze moeten ook leven en hun jongen groot kunnen brengen. En die Noordse Stern vangt wel weer een ander visje.

De stand van de Kleine Jager is zeer afhankelijk van het voorkomen van vis, met name Lodde. Een soort spiering. Die komen in wisselende aantallen aan de noordelijke kusten kust voor. Het onderzoek naar de leefomstandigheden, broedsucces, overwinteringsplekken en trekroutes, dat internationaal georganiseerd was, werd, naast Ingrid, ook gedaan door collega’s Rob van Bemmelen en Raymond Klaassen. De onderzoeken vonden op zo’n zes plekken plaats door verschillende onderzoeksteams. Het team van Ingrid was gestationeerd in de kop van Noorwegen, Slettnes, wat een vrij vlakke toendra is. Het broedsucces van de Kleine Jager is gerelateerd aan de visstanden, die jaarlijks fluctueren. Momenteel zijn de paaigronden van de Lodde onder invloed van de temperatuurstijging aan het opschuiven naar het noord-oosten en de visvangende vogels volgen ze. Daardoor komen die visplekken steeds verder van de broedgebieden van de Kleine Jager te liggen. Een tweede bedreiging is de Rode Vos. Die rukt steeds verder naar het noorden op en verdrijft hiermee tevens de Poolvos. De Rode vos is ook een geduchte eierrover. Zodoende is is het laatste visrijke jaar 2018 (waar normaal gesproken elk paar Jagers twee jongen grootbrengt) het broedsucces op nul (0) jongen uitgekomen. Voor de Kleine Jagers in Slettnes ziet het er slecht uit.

Bij de Grauwe Franjepoot is onderzocht hoeveel nesten met jongen er per vrouwtje grootgebracht worden. Het mannetje maakt het nest en brengt de jongen groot. Ondertussen gaat het vrouwtje met een ander mannetje in zee. Een vrouwtje legt dus meerdere nesten met eieren en gaat er dan vandoor. Het onderzoek naar de trekroutes, die de Grauwe Franjepoot aflegt, bracht verrassende resultaten. Er zijn twee populaties; een westelijke en een oostelijke. De westelijke populaties trekken naar het zuidwesten weg, steken de Atlantische Oceaan over. Vervolgens vliegen ze langs de oostkust van Noord-Amerika, steken de smalle verbinding van Noord- met Zuid-Amerika over en vliegen vervolgens langs de oostkust van Zuid-Amerika verder naar het zuiden. De route is zo’n 10.000 km lang. Ze blijken ook iets langere vleugels te hebben dan de oostelijke populatie. Die steekt het vasteland van Oost-Europa en Azië over naar de Indische Oceaan, Golf van Aden, Arabische Zee, een route van 6.000 km. Onderweg moeten de Franjepoten rusten en opvetten. De oostelijke Franjepoten komen flinke problemen tegen, o.a. door het grotendeels droogvallen van het Aralmeer.

Dit alles is o.a. aan het  licht gekomen sinds het gebruik van geolocators, die enkele vogels aangemeten hebben gekregen. Zie bijgevoegde foto, van de eerste Grauwe Franjepoot, die met een geolocator werd uitgerust. Ze zijn zo licht dat de vogels er geen last van hebben. Ze slaan om een vastgestelde tijd de locatie van de vogel op. De geolocator moet dus uitgelezen worden en daarvoor moet de vogel weer gevangen worden of, als hij doodgaat, gevonden worden.

Groet, Sam